Sociale hervorming

‘De tijd van revoluties loopt ten einde, die van verbetering begint,’ roept Victor Hugo tijdens zijn openingsspeech op het internationale vredescongres van 1849. Zijn publiek, een diverse groep van intellectuelen en activisten, is naar Parijs afgezakt uit alle hoeken van Europa. Ook dat is de Franse schrijver niet ontgaan: ‘Kijk hoe verre volkeren samenkomen! Hoe de afstanden kleiner worden.’ ‘En samenkomen,’ zo voegt hij toe, ‘is het begin van broederschap!’ 

De schaduwkant van vooruitgang

Report of the Proceedings of the Second General Peace Congress, 1849

Het burgerlijke publiek applaudisseert wild wanneer Hugo de harmonieuze vooruitgang van de mensheid bezingt. De negentiende eeuw zou de mooiste pagina in de geschiedenis worden. Maar achter die hoge verwachtingen schuilen even diepe angsten. Nadat Hugo een panorama schetst van een onrustig continent waar ellende tiert en geweld sluimert, moet hij de deelnemers van het congres geruststellen: ‘Heren, laat ons niet wanhopen.’

Het vredescongres vindt plaats in woelige tijden. De dreiging van revolutie achtervolgt de Europese elites. In 1848 waait een golf van opstand door het continent. In België blijft de onrust beperkt, maar de waakzame regering zet Karl Marx, een spraakmakende Duitse emigré, het land uit. Zijn Communistisch manifest, in februari van dat jaar gepubliceerd, groeit uit tot een inspiratiebron voor de arbeidersbeweging die ook in de Belgische industriesteden opgang maakt.

Tegen het midden van de eeuw is de jonge natie immers uitgegroeid tot een industriële reus. De koolmijnen en textielfabrieken draaien op de onderbetaalde arbeid van mannen, vrouwen en kinderen die in chronische armoede leven. Tot de belle epoque wordt het land overwegend door liberale regeringen geregeerd. Hun inmenging in de samenleving beperken ze tot een minimum: voor sociale voorzieningen zijn verpauperde families in de eerste plaats afhankelijk van religieuze instituties en filantropische initiatieven.

Explosieve uitdagingen

Volksopstand in Charleroi, 1886

In 1886 komt het tot gewelddadige straatrellen. Stakingen en protestacties breken uit onder de mijnwerkers van Luik en verspreiden zich snel naar andere industriegebieden. België is een sterk geïndustrialiseerde en verstedelijkte natie, maar ook een laboratorium voor de explosieve uitdagingen van de moderniteit. Het moet op zoek naar nieuwe instrumenten om die te bedwingen.

Die zoektocht is echter geen zuiver binnenlandse aangelegenheid. België is in deze periode een bij uitstek ‘internationale natie’, waar wetenschappelijke kennis uit het buitenland samenvloeit. Rondreizende experts in steden als Brussel, Gent en Luik speuren over de landsgrenzen heen naar efficiënte manieren om sociale vooruitgang te verzekeren. Onder hen groeit de zorgwekkende gedachte dat economische en technische innovaties niet vanzelf het collectieve welzijn ten goede komen. Het klassieke liberalisme botst op haar grenzen.

Wat nodig is, zo meent een groeiende groep intellectuelen en activisten, is bekwame organisatie, sturing en zelfs verlichte interventie van bovenaf. Alleen zo valt de harmonie van de sociale orde te redden van twee alternatieve antwoorden: de dogmatiek van reactionaire religie en de chaos van een radicale revolutie.

Hervormers aller landen

London Poverty Map, Inner Southern District, 1898-1899

De bewogen burgers die zich inzetten voor de gestage verbetering van hun steden en naties worden door historici ‘sociale hervormers’ genoemd. Het is een gevarieerde groep. Ambtenaren, advocaten en industriëlen sluiten er de rangen met geëngageerde academici, schrijvers en politici. Ze komen doorgaans uit de welgestelde burgerij en delen een progressief wereldbeeld, ook al hebben ze uiteenlopende politieke doelen. 

Voortbouwend op de christelijke traditie van liefdadigheid, engageren clusters van katholieken zich rond thema’s als jeugddelinquentie, kinderbescherming en heropvoeding. Maar het veld van hervorming is vooral een ontmoetingsplek voor progressieve liberalen en gematigde socialisten over heel Europa. Hun contacten en uitwisselingen zijn ‘transnationaal’: ze overstijgen nationale grenzen. Wat de hervormers bindt, is een veelzijdig probleem en de ambitie om dit probleem op een ordelijke en wetenschappelijke manier op te lossen.

De kwalijke neveneffecten van de industrialisering en verstedelijking worden door hervormingsgezinde intellectuelen samengebracht onder het containerbegrip ‘de sociale kwestie’. Armoede neemt een hoge plaats in op de agenda, maar de sociale hervormers problematiseren evengoed thema’s als onderwijs, huisvesting, hygiëne, publieke gezondheid, misdaad en morele achteruitgang. Ze doorzoeken de samenleving voor sporen van verval en plekken die nog onaangeroerd zijn door de heilzame invloed van beschaving. Een brede waaier aan sociale vraagstukken worden geïdentificeerd, bestudeerd en bestreden.

De vrouwenbeweging

Een belangrijke coalitiepartner van de sociale hervormers is de feministische beweging. Zowel vrouwelijke als mannelijke hervormers kennen aan de geschoolde vrouw een sleutelrol toe in de overwinning van de sociale crisis. In hun strijd voor meisjesonderwijs en juridische gelijkheid zoeken de eerste feministen ook actief bondgenoten in de anti-alcohol-, pacifistische en abolitionistische bewegingen. De feministische zaak is voor hen nauw verweven met andere strijdpunten en de integrale heropleving van de moderne samenleving.

Het veld van hervorming vormt zo een omvangrijk web van aaneengeknoopte engagementen. Vanaf de jaren 1880 groeien de verschillende takken stilaan uit tot gespecialiseerde bewegingen en afgebakende vakwetenschappen. Maar de betrokken intellectuelen blijven geloven dat de vele facetten van de sociale kwestie met elkaar verbonden zijn. Hervormingsgezinde burgers delen hierdoor niet enkel een overkoepelende ambitie, maar ook een taal om ideeën uit te wisselen over verschillende maatschappelijke problemen en de geschikte manieren om die te overwinnen.

Wetenschap als leidraad

De moderne wetenschap, met haar universele aanspraken en systematische methode, dient daarbij als gezaghebbend model. De samenleving zou ook onderworpen zijn aan ‘wetmatigheden’ die men kan achterhalen door de nauwkeurige observatie van sociale ‘feiten’. 

De nieuwe wetenschap van de statistiek belooft daarom een hoeksteen te vormen van hervormingsinitiatieven: als je de samenleving kan meten, dan kan je die ook bijsturen. In 1853 vindt de eerste van een reeks internationale statistische congressen plaats, met de bedoeling om uniforme standaarden vast te leggen voor statistisch onderzoek. 

Ook de oplossingen worden op wetenschappelijke, experimentele wijze uitgevoerd. Educatieve methoden, huisvestingsmodellen, sociale maatregelen en programma’s van armoedebestrijding wil men planmatig uittesten, vergelijken, afstellen, aanpassen aan andere omstandigheden en uiteindelijk verspreiden, zowel binnen als buiten de landsgrenzen.

De eerste sociale hervormers zijn meestal geen politici en maken geen wetten. Wel willen ze hun kennis delen om de politieke besluitvorming en publieke opinie te beïnvloeden. Hervormingsgezinde intellectuelen groeperen zich daarvoor in lokale genootschappen en internationale verenigingen. In 1864 wordt bijvoorbeeld de Belgische Ligue de l’Enseignement opgericht. Haar lokale afdelingen financieren volksbibliotheken en verspreiden pedagogische publicaties, met als doel de verruiming van het onderwijs in België. De eerste feministische organisatie van het land is de Ligue Belge du Droit des Femmes, die vanaf 1892 haar boodschap uitdraagt via haar tijdschrift La Ligue.

De sociale hervormers doen ook beroep op traditionele kanalen van kennisuitwisseling, zoals (studie)reizen, lezingen, briefwisseling en de circulatie van boeken en tijdschriften. Maar na 1850 groeit een nieuw forum uit tot de belangrijkste site om ideeën uit te wisselen: het internationale congres.

Op congres

Actes du congrès féministe international de Bruxelles, 1898

In de zomer van 1897 stromen feministen uit onder meer Zwitserland, Denemarken, Finland, Italië, Rusland en de Verenigde Staten toe in het statige Academiënpaleis aan het Warandepark. Ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling van Brussel organiseert de Ligue Belge du Droit des Femmes een internationaal feministisch congres. ‘Altogether an overflowing program,’ schrijft de Engels-Australische dichteres Dora Montefiore na afloop, ‘and one that made us feel, as we left Brussels, that we had enlarged the borders of our sisterhood.’

Een bomvol programma en een verbindende werking: internationale congressen waren belangrijke katalysators en knooppunten van de hervormingsbeweging. Na de eerste succesvolle conferenties in de jaren 1840 groeit hun aantal snel: van 29 sessies in de jaren 1850 tot 99 in het jaar 1913 alleen. 

Gedreven door een geloof in de waarde van dialoog en open debat komen intellectuelen uit verschillende landen er samen om hun expertise te delen. De sociale problemen waar alle geïndustrialiseerde naties mee kampen, vereisen volgens hen internationale samenwerking. Hun mobiliteit is niet los te koppelen van innovaties in transport, nieuwe communicatiemiddelen en de algemene sfeer van internationalisme die ook de wereldtentoonstellingen voedt.

De onderwerpen van de internationale bijeenkomsten zijn even gevarieerd als de sociale problemen die ze willen tegengaan. Naast feministische en pacifistische congressen, worden er conferenties georganiseerd over dierenwelzijn, hygiëne, alcoholisme, douanemaatregelen of gevangenishervorming. 

In deze laboratoria van kennis worden vernieuwende ideeën over de landsgrenzen heen uitgewisseld en met elkaar vergeleken. Tijdens de sessies propageren begeesterde hervormers nationale maatregelen en lokale praktijken. Terwijl deze trefpunten het samenhorigheidsgevoel van de internationale bezoekers versterkt, spookt dus ook de geest van nationalistische competitie door de debatten. Na afloop van een congres worden de verschillende interventies, debatten, resoluties en de deelnemerslijst vaak gepubliceerd in de vorm van een congresverslag

Kosmopolitische experts

De Belgische aanwezigheid op het internationale congrestoneel is groot. Kosmopolitische experts zoals de statisticus Adolphe Quetelet of de jurist Gustave Rolin-Jaequemyns reizen Europa rond om hun ideeën te communiceren en op de hoogte te blijven van inspirerende voorbeelden uit het buitenland. Maar ze nodigen hun persoonlijke contacten ook uit naar de conferenties die ze in eigen land organiseren. Naast Parijs, Londen, Genève en Chicago groeit Brussel uit tot een van de centra voor internationale congressen.

Verdeling van congressteden, 1846-1914

Voor de Eerste Wereldoorlog zijn Parijs, Brussel en Londen de belangrijkste centra voor internationale congressen en organisaties. Steden als Berlijn, Rome en Den Haag volgen hun voorbeeld. Met bijeenkomsten in verschillende steden ontpopt ook Zwitersland zich al tot een haven voor het internationalisme.

Internationale congressen, 1840-1960

De trends van de lange 19e eeuw zetten zich verder na de twee wereldoorlogen. Internationalistische activiteiten blijven geconcentreerd in Europese steden zoals Parijs en Brussel. Na de organisatie van vredesconferenties in 1899 en 1907 ontwikkelt Den Haag zich tot een standplaats voor internationale rechtscolleges. Nederland haalt zo na het interbellum zijn achterstand in. CC-BY-SA Martin Grandjean 2019.

Aanvankelijk zijn er nauwelijks vrouwelijke deelnemers op de bijeenkomsten. Zelfs in progressieve milieus blijft de bewegingsvrijheid van vrouwen beperkt tot de privésfeer. De belangrijke bijdrage van de Engelse hervormster Florence Nightingale op het statistisch congres van 1860 wordt bijvoorbeeld door een mannelijke deelnemer voorgesteld.

Pas vanaf de jaren 1880 begint het aantal vrouwen op internationale bijeenkomsten sterk te stijgen. Eén van hen is de Australische schrijfster Jessie Couvreur. Rond die tijd beginnen de internationale bijeenkomsten zich ook te specialiseren en te professionaliseren. Waar een eerste generatie congresgangers een encyclopedisch bereik nastreefde, leggen de ontluikende transnationale expertgemeenschappen van de belle epoque zich vaker toe op één aspect van de sociale kwestie. Regelmatige congresreeksen spelen zo een belangrijke rol in de disciplinevorming van nieuwe kennisvelden en de oprichting van internationale organisaties.

Van internationaal naar lokaal

Internationale contacten, kennis en prestige. Alles wat de sociale hervormers op de congressen opstrijken, nemen ze ook mee naar huis. De internationale bijeenkomsten zijn belangrijke, maar uitzonderlijke evenementen. Het dagdagelijkse hervormingswerk speelt zich af in lokale verenigingen, universiteiten, redacties, weldadigheidsbureaus, huisvestingsmaatschappijen, gevangenissen en gemeenteraden.

Als pragmatische en wendbare figuren, spelen de sociale hervormers daarbij verschillende rollen. Hoewel hun ideologische en professionele achtergronden soms sterk uiteenlopen, zijn bepaalde profielen typerend voor deze voortrekkers van vooruitgang.

Vaak zijn het actieve reizigers. Regelmatige congresbezoeken maken maar een deel uit van hun mobiliteit. Ook voor studiereizen, lezingen, vakanties of gezondheidskuren trekken ze Europa rond op de nieuwe spoornetwerken. Zelf zijn de hervormingsgezinde intellectuelen heel bewust van hun kenmerkende mobiliteit. In een brief aan de politiek econoom Emile de Laveleye (de meest actieve Belgische congresganger van zijn generatie), schrijft de Brusselse hoogleraar Hector Denis: ‘Vous avez plus que tout autre à cette époque, marqué la mobilité et même le caractère progressif.’

Verdeling van congressteden in de Lage Landen, 1846-1914

België is een van de centrale landen voor internationale congressen. Tussen 1846 en 1914 worden er in Brussel niet minder dan 141 internationale congressen georganiseerd. In deze periode gaan er beduidend minder congressen door in Nederland. Met 47 congressen is Den Haag de belangrijkste congresstad van het land. Het jonge Belgische koninkrijk heeft een nadrukkelijk internationalistische gezindheid, wat zich ook vertaalt in de Wereldtentoonstellingen van 1885 (Antwerpen), 1888 (Brussel), 1894 (Antwerpen), 1897 (Brussel), 1905 (Luik), 1910 (Brussel) en 1913 (Gent).

Brieven uit Tokio

Dankzij hun beweeglijkheid ontpoppen veel sociale hervormers zich ook uit tot bedreven netwerkers. Na de congressen worden contacten tussen collega’s en gelijkgezinden niet alleen verdergezet in organisaties, maar ook via de uitwisseling van publicaties en brieven. Niet toevallig krijgt Emile de Laveleye brieven opgestuurd uit Tokio of New York en rekent hij de Franse filosoof Jules Simon en de aristocratische Russische schrijfster Olga Novikoff-Kiréef tot zijn regelmatige correspondenten.

De typische hervormer is ook een bemiddelaar. Het is een figuur die met één been in de lokale praktijk staat en met één been in het speelveld van internationale experts. Zo kan er een vruchtbaar leenproces ontstaan: bijeengebrachte expertise wordt lokaal gebruikt om initiatieven op te zetten, terwijl oplossingen uit één stad dankzij de congressen internationaal in de omloop komen. De arbeiderswoningen in de Franse industriestad Mulhouse worden zo een inspirerend model voor sociale huisvesting over heel Europa. Maar dergelijke overdrachten gebeuren niet altijd zonder wrijvingen: de lokale, nationale en internationale ambities die de hervormers bewandelen, lopen niet altijd gelijk. 

Hygiène scolaire, 1865

Hun oprechte intentie om het lot van de lagere klassen te verbeteren, valt bovendien niet los te koppelen van een campagne om hen huiselijke, hygiënische en morele discipline op te leggen. Hervormingsgezinde burgers worden daarom weleens hommes-orchestres genoemd: ‘orkestmeesters’ die zich inspannen om de samenleving van bovenaf te organiseren. Het idealisme van deze volksverheffers heeft inderdaad een paternalistische inslag. Hun initiatieven maken deel uit van een beschavingsoffensief om arbeiders om te vormen tot deugdzame burgers zoals zijzelf.

De figuren die zich over de sociale kwestie buigen, zijn misschien nog het best te omschrijven als sociale en intellectuele duizendpoten. Dankzij hun geloof in de organische verwevenheid van alle maatschappelijke problemen, richten ze zich op verscheidene thema’s en combineren ze meerdere engagementen.

De Zwitserse arts Louis Guillaume, bijvoorbeeld, zal op die manier zowel stichter zijn van een regionale natuurvereniging, een succesvol boek schrijven over hygiëne, directeur worden voor het nationale bureau voor statistiek en uitgroeien tot de spilfiguur van de internationale congressen voor gevangenishervorming. Voor hem zijn het overlappende facetten van eenzelfde engagement.

Fundamenten van de welvaartsstaat

De oproep van Victor Hugo om de sociale kwestie op te lossen is tegen de eeuwwisseling niet gerealiseerd. Omdat de eerste generatie sociale hervormers geen hefboom heeft in de nationale politiek, sijpelen hun ideeën maar traag door in de wetgeving. Hun ambitieuze projecten blijven vaak steken bij goede bedoelingen. Ook binnen België blijkt er een kloof tussen de ambities van de hervormers en hun invloed op de politieke macht: pas na 1900 zal de sociale kwestie een geprononceerd juridisch kader krijgen. Maar zoals het engagement van Jessie en Auguste Couvreur aantoont, verwezenlijken de bewogen burgers van deze periode wel veel op lokaal en internationaal niveau. Bovendien definiëren ze welke problemen de geïndustrialiseerde landen teisteren en welk soort maatregelen instanties moeten invoeren.

De latere welvaartstaat bouwt voort op de probleemstellingen en praktische blauwdrukken van de sociale hervormers. Vanaf de late negentiende eeuw beginnen de kapitalistische naties, onder druk van de arbeidersbeweging, sociale wetgeving uit te rollen. In België komt er in 1889 de eerste wet op kinderarbeid, zijn er vanaf 1903 vergoedingen voor arbeidsongevallen en wordt de zondagsrust in 1905 wettelijk erkend. De carrière van Emile Vandervelde, ‘le patron’ van de Belgische Werkliedenpartij, illustreert hoe de hervormingsgezinde burgers zich nu uitdrukkelijker engageren in de nationale partijpolitiek. Het levensverhaal van zijn vrouw Lalla belicht niet enkel een nieuwe kruisbestuiving met artistieke kringen, maar ook hoe sociale hervormers trouw blijven aan hun internationalistische idealen. 

Bibliografie

Carlier, Julie. "Moving Beyond Boundaries: An Entangled History of Feminism in Belgium, 1890-1914." Onuitg doct. verh., Universiteit Gent, 2010.

De Spiegeleer, Christophe, red. The Civilising Offensive: Social and Educational Reform in 19th-century Belgium. Berlijn: De Gruyter, 2019.  

D’haeninck, Thomas. "Sociale hervormers op zoek naar een moreel reveil: een sociaal-historische en transnationale studie naar de aanwezigheid van Belgen op internationale hervormingscongressen, 1850-1914." Onuitg. doct. verh., Universiteit Gent, 2018.

Haan, Ido de, e.a., red. Het eenzame gelijk: hervormers tussen droom en daad, 1850-1950. Amsterdam: Boom, 2009.

Leonards, Chris, en Nico Randeraad. "Transnational Experts in Social Reform, 1840-1880." International Review of Social History 55, no. 2 (2010): 215–239.

Randeraad, Nico. "The International Statistical Congress (1853-1876): Knowledge Transfers and Their Limits." European History Quarterly 41, no. 1 (2011): 50–65.

Smit, Christianne. De volksverheffers. Sociaal hervormers in Nederland en de wereld, 1870-1914. Hilversum: Verloren, 2015.

Thiry, Amandine, Thomas D’haeninck, en Christophe Verbruggen. "(Re-)educational Internationalism in the Low Countries, 1850-1914." In The Civilising Offensive: Social and Educational Reform in 19th-century Belgium, onder red. van Christophe De Spiegeleer, 189-216. Berlijn: De Gruyter, 2018.

Topalov, Christian, red. Laboratoires du nouveau siècle. La nébuleuse réformatrice et ses réseaux en France, 1880-1914. Parijs: Éditions de l'EHESS, 1999.

Van Daele, Jasmien, en Christian Müller. "Peaks of Internationalism in Social Engineering: A Transnational History of International Social Reform Associations and Belgian Agency, 1860–1925." Revue Belge de Philologie et d’Histoire 90, no. 4 (2012): 1297–1319.

Verbruggen, Christophe, en Julie Carlier. "Laboratories of Social Thought: The Transnational Advocacy Network of the Institut International pour la Diffusion des Expériences Sociales and its Documents du Progrès (1907–1916)." In Information Beyond Borders, onder red. van W. Boyd Rayward, 123-142. Farnham: Ashgate, 2014.